Grootvader

Grootvader bleef bij ons wonen.
Dat hoorde zo als je ouder werd, en geen inkomen meer had. Je werd dan onderhouden door je kinderen. Als die dat niet konden, of je had geen kinderen dan moest je naar het armen bestuur, en kwam je veelal in het armen huis terecht.
Grootvader niet dus. Die bleef bij ons.
In mijn jonge jaren heeft hij veel voor mij betekent. Als het in de winter vroor en er kon worden geschaatst, dan zorgde grootvader voor de schaatsen.
Ik stond dan ook al zeer jong op het ijs.
In onze kamer werden de schaatsen onder gebonden en grootvader sjouwde mij dan op zijn rug naar de sloot, om te oefenen achter de slee.
Hij bleef dan altijd kijken. Dat was ook wel nodig want al gauw zaten de schaatsen niet onder mijn voeten maar er naast.
Ik werd dan op de stoep gezet(vlonder bij de sloot,elk huisje bij de sloot had die) en grootvader bond ze opnieuw onder. Ik moest het weer proberen en niet zeuren! Daar ging ik maar weer ! Grootvader ging na verloop van tijd het huis weer in.
Maar mijn schaatsen zaten alweer scheef! En ik werd koud en vond er niets aan! Ik ging naar binnen. Maar de volgende dag werd ik weer door grootvader op het ijs gezet en het oefenen begon weer van voren af aan. Toch heb ik zo wel pittig schaatsenrijden geleerd!

In het voorjaar moest ik leren slootje springen. Grootvader had een pols(stok). Bijna ieder gezin had wel een pols. Een ronde stok,meestal gemaakt door de timmerman, met onder aan een dwars stuk hout van ongeveer 25 cm. Men noemde dat de flent en het zorgde ervoor dat de pols niet in de modder wegzakte.
Grootvader deed voor waar je de pols in het water moest zetten,zodat je met een goede afzet aan de andere kant van de sloot terecht kwam.
Ik kan me nog een keer herinneren dat ik op zijn rug mocht met mijn armen om zijn nek en hij ..... sprong. Spannend en griezelig tegelijk! Het zal waarschijnlijk wel een klein greppeltje of slootje geweest waar hij over sprong, maar ik vond het prachtig'


Toen ik groter werd kreeg ik zelf een pols en de sloten waar ik over heen kon, werden al breder. Zo af en toe kwam je met een nat pak thuis. Gelukkig was mijn moeder daar nooit boos over. Ze zei wel altijd Piet, beter oppassen en niet verder springen dan je pols lang is!
Met mijn vrienden ging ik dus vaak met de pols weg!
Er waren wel jongens bij die beslist niet met een nat pak thuis mochten komen.
Die hadden een kwaaie moeder. Gelukkig hadden we daar onze buurvrouw Griet voor.
Iedereen die nat was en die niet naar huis durfde mocht daar bij het fornuis zijn kleren drogen. Het is wel gebeurd dat de sokken te dicht bij het fornuis hingen en begonnen te schroeien. Maar Griet stopte die gaten ook nog wel even voor je.
Buurvrouw Griet verklikte je nooit. Alhoewel de wol van de gestopte sokken vaak net iets anders was dan waar van ze gebreid waren. Dus menige moeder zal zich daar toch wel het nodige over afgevraagd