houten schouw. Joop had een maat waar hij mee viste, J.Kuiper uit Oosterleek

Kuiper was een klein ventje, maar hij "stond z'n mannetje". Wij jongens noemden hem Cupido, maar mijn grootvader had het over "tandenbrekertje". Waarom? Hij had wel grote tanden en hij rookte meestal een pijp.

Dan kom ik bij de Mantels, visserlui in hart en nieren. Zij hadden een ijzeren schouw in de haven liggen en visten met hetzelfde tuig als Feller. Later zal ik het nog hebben over Piet Klaver. Joop en Piet waren in mijn ogen grote sterke mannen. Joop pruimde tabak. Er liep altijd een straaltje tabakssap langs z'n kin. Het was een man vol met grapjes.
Wij als jongens gingen vaak te hengelen in zee. Hoeksen (hoek=haak?) en visserskatoen kregen we van de Mantels. Als we dan gingen vissen en we kwamen J.Mantel tegen, dan zei hij: motten jullie een grote hoeks? Wij natuurlijk blij. Hou je hand op, zei hij dan en dan drukte hij je een afgesabbelde tabakspruim in je hand, zodat het sap door je vingers droop.
Later lukte dat bij ons niet meer, maar er kwamen ook andere jongens te hengelen en ze vlogen er allemaal een keer in, en Jaap maar grijnzen. Piet en Jaap Mantel stonden bekend als voorzichtige vissers, ze waren heel bang om bij slecht weer hun netten te verspelen. Er waren vissers die roekelozer waren, want bij slecht weer ving je vaak meer, maar ze verspeelden ook wel eens wat. Ik hoor ze nog tegen elkaar praten. Piet nam in de regel de leiding en hij zei dan: Jaap, wat zalle we, gane we nou of niet. As we gane wordt het tijd, kunnen we voor donker terug. Jaap zei dan: Wat zalle we, zouwe we toch maar gaan. Den gane we, zei Piet dan, en direct. En dan gingen ze. Het waren voorzichtige maar goede visserslui en ze hielden hun spullen heel goed verzorgd.

Nu iets over de haringvangst. In het voorjaar kwam de haring in grote getale bij ons op de kust om kuit te schieten. Bij ons aan de Molentjes was het dan een drukte van belang.
Op het erf van P. Mantel werden door vissers uit Friesland twee keten neergezet en daar kamen de Fam. Kuiper, Sloerd met gezin, en de Fam. Siebering in te wonen. Deze vissers visten met fuiken. Het waren grote fuiken, waarin vaak grote hoeveelheden werden gevangen. De fuiken werden geleegd in de sloep en dan de haven in gevaren. Dan werd de vis in manden geschept, de dijk op gesjouwd en in vrachtwagens geladen. Als er niet voldoende afzet was voor consumptie ging de haring naar de vismeelfabriek.
Het op deze manier vangen van de haring was zwaar werk en het waren dan ook sterke mannen die zich hiermee bezig hielden. Als er geen haring op de kust was hielden ze zich bezig met het herstellen van de fuiken.
Ook waren het fanatieke kievietseierenzoekers, daar waren ze zeer bekwaam in. Ze hielden zich schuil en bestudeerden het gedrag van de vogels. Ze konden dan aan de vlucht zien waar het nest lag. Jammer genoeg hebben ze het ons nooit geleerd, dat was geheim.

Laat ik beginnen met iets te vertellen over de visserij. Nu wat over de visserij. In mijn jeugd gaf dat veel bedrijvigheid.Vooral in de haringtijd was het een drukte van belang. De eerste visserman waar ik over schrijf was Joop Teller. Hij woonde met z'n vrouw Anne in het eerste huis als je boven aan de kluft rechtsom gaat. Het huis dat er nu staat stond er ook in mijn jeugd al. Je moest via een pad bij de dijk neer, over een brug en dan kwam je bij Joop en Anne. Het huis was klein en zeer laag. Staande in de kamer kon je de zolder raken, makkelijk met de zolder uitnemen. Eerst kwam je in een soort schuur, waar Joop z'n spullen hingen. Haringnetten, bot-en ansjovisnetten en palingfuiken voor het vissen in het binnenwater. Er hing altijd een nettenlucht, want de netten en fuiken werden regelmatig getaand. Dat gebeurde in een grote ketel die buiten stond. Ik meen dat ze daar katsjoe (cachou-plantaardig extract uit Zuidoost Azie) voor gebruikten. De netten werden gekookt en daarna te drogen gehangen.
De boot van Joop lag in het haventje. Z'n oude boot werd op een gegeven moment vervangen door een nieuwe